werkwoorden (verba)

  • Vocabulaire : werkwoorden, verba; verbes / schrijf- en spreektaal [2]; langue écrite et parlée / woordenschat / néerlandais; Nederlands

    • Usage lexical en Flandre (Belgique) et aux Pays-Bas / Lexicaal gebruik in Vlaanderen (België) en Nederland

    • Question linguistique : emploi de certains verbes dans la langue écrite (langue formelle) et la langue parlée (langue informelle) / Taalvraag : gebruik van werkwoorden (verba) in de schrijf- en spreektaal (formele en informele taal)

    • Vocabulaire néerlandais-français / Woordenschat Nederlands-Frans

    ---------------

    vocabulaire,woordenschat,verbes,werkwoorden (verba),langue écrite et parlée,schrijf- en spreektaal

     Kwakelbrug met speeltoren, Edam

     vocabulaire,woordenschat,delen van de dag,parties du jour,middag,midi,après-midi,namiddag,voormiddag,matin,morgen,ochtend,avond

    https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/d/d0/Kwakelbrug_met_speeltoren_Edam.jpg/675px-Kwakelbrug_met_speeltoren_Edam.jpg?uselang=fr

    ---------------

    SCHRIJFTAAL (of FORMELE TAAL) en SPREEKTAAL (of INFORMELE TAAL) in Vlaanderen (België) en Nederland

    LANGUE ECRITE (ou LANGUE FORMELLE) et LANGUE PARLEE (ou LANGUE INFORMELLE) en Flandre (Belgique) et aux Pays-Bas

    De meeste woorden uit de spreektaal kunnen bijna altijd worden geschreven. Woorden uit de schrijftaal worden relatief weinig in de spreektaal gebruikt. Als een woord (of een vorm) zich in de kolom 'SCHRIJFTAAL' bevindt, betekent dat toch niet dat het volledig uitgesloten wordt van de spreektaal, maar gewoon dat het naargelang de gewoontes van de taalgebruikers minder vaak gehanteerd wordt in de alledaagse taal dan het overeenkomende woord in de kolom 'SPREEKTAAL'.

    La plupart des mots de la langue parlée peuvent presque toujours s'écrire. Les mots de la langue écrite s'emploient relativement peu dans la langue parlée. La présence d'un mot (ou d'une forme) dans la colonne 'SCHRIJFTAAL' ne signifie cependant pas qu'il soit complètement exclu de la langue parlée, mais simplement que son emploi est, selon les habitudes des locuteurs, moins fréquent dans la langue usuelle que son correspondant de la colonne 'SPREEKTAAL'.

    SCHRIJFTAAL (FORMELE TAAL))  ⇒  SPREEKTAAL (INFORMELE TAAL)   VERTALING in het Frans

    Werkwoorden (verba)

    1. zich begeven naar gaan naar  se rendre à, aller à

    2. behoeven (1)  hoeven  être nécessaire

    3. behoren tot, bij ⇒ horen bij  convenir à, appartenir à

    4. bemerken  merken ⇒ remarquer

    5. zich bevinden  zijn, staan, zitten  se trouver, être

    6. bezitten  hebben  posséder, avoir

    7. iemand bezoeken, een bezoek brengen aan iemand ⇒ iemand opzoeken, bij iemand op bezoek komen, bij iemand een visite maken  rendre visite à quelqu'un, aller voir quelqu'un

    8. eindigen, beëindigen (2)  klaar zijn, uitscheiden, ophouden, stoppen  finir, terminer

    9. gelukken (1)  lukken  réussir

    10. geraken (2)  raken ⇒ devenir, être, se retrouver (dans) [in moeilijkheden geraken : se retrouver dans des difficultés; gewond raken : se blesser, être blessé]

    11. geschieden (1) ⇒ gebeuren  se passer, se produire, avoir lieu

    12. gevoelen (1)  voelen  (res)sentir

    13. grijpen, vangen  pakken  attraper, saisir

    14. zich haasten  opschieten, hard(er) lopen  se presser, se dépêcher, presser le pas

    15. herstellen  maken, repareren ⇒ réparer

    16. leiden naar, voeren naar  brengen naar  mener à, conduire à

    17. menen  denken, vinden  penser, croire, trouver

    18. iets ontvangen  iets krijgen (3) ⇒ recevoir quelque chose

    19. openen ⇒ openmaken, opendoen  ouvrir

    20. de hand reiken ⇒ een hand geven  donner la main, tendre la main

    21. spreken  praten  parler

    22. stilhouden, stilstaan  blijven staan, stoppen  s'arrêter

    23. strijden (2)  vechten  combattre, lutter

    24. tonen (2)  laten zien ⇒ montrer, faire voir

    25. treffen  raken  atteindre, toucher

    26. verbergen ⇒ verstoppen, wegstoppen  cacher, dissimuler

    27. verklaren, uitleggen  duidelijk maken  expliquer

    28. vernemen  horen, te weten komen ⇒ apprendre [une nouvelle], entendre dire (que), être informé de

    29. verschrikken (2)  doen schrikken  effrayer

    30. vertrekken  (weg)gaan ⇒ partir, s'en aller

    31. iets vrezen, voor iets vrezen  voor iets bang zijn, van iets bang zijn  craindre quelque chose, avoir peur de quelque chose

    32. wekken ⇒ wakker maken  (r)éveiller

    33. wenden  draaien, keren ⇒ tourner

    34. werpen (2)  gooien  jeter

    35. zenden (2)  sturen ⇒ envoyer

     

    (1) Niet gebruikelijk in de spreektaal in Nederland.

    (2) Weinig gebruikelijk in de spreektaal in Nederland, behalve in bepaalde gevallen.

    (3) Maar er wordt altijd gezegd : iemand ontvangen.

    ---------------

    vocabulaire,woordenschat,delen van de dag,parties du jour,middag,midi,après-midi,namiddag,voormiddag,matin,morgen,ochtend,avondDocument 'Schrijftaal & spreektaal 2' sur :

    vocabulaire,woordenschat,delen van de dag,parties du jour,middag,midi,après-midi,namiddag,voormiddag,matin,morgen,ochtend,avond

     https://fr.pinterest.com/pin/319051954842247749/

     

    vocabulaire,woordenschat,delen van de dag,parties du jour,middag,midi,après-midi,namiddag,voormiddag,matin,morgen,ochtend,avondvocabulaire,woordenschat,delen van de dag,parties du jour,middag,midi,après-midi,namiddag,voormiddag,matin,morgen,ochtend,avond

    Document 'Schrijftaal & spreektaal 2' à consulter dans la collection Google+ Woordenschat & oefeningen