kerstmis

  • Exercice de vocabulaire : 'Winter en sneeuw' / Woordenschatoefening / néerlandais; Nederlands

    • Thème : l'hiver et la neige / Thema : winter en sneeuw

    • Exercice lexical en néerlandais / Woordenschatoefening Nederlands

    • Suite du dossier 'Kerst- en nieuwjaarswensen' / Vervolg van het dossier 'Kerst- en nieuwjaarswensen'

    • Séquence pédagogique / Leerseqentie

    • Niveaux : 4N1, 4N2 / Niveaus : 4N1, 4N2

    ---------------

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,wintersport(vakantie),noël,kerstmis

    Molen, Schaatsers en Winter. Pieter Moleveld, Voetschilder

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,wintersport(vakantie),noël,kerstmis 

    http://www.marktplaats.nl/a/verzamelen/ansichtkaarten-themakaarten/m987719592-molen-schaatsen-winter.html?c=8c285449651fa109c354bbabe740c1b&previousPage=lr

    ---------------

    Winter

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,wintersport(vakantie),noël,kerstmis

    Bekijk de tekening en vind het passende werkwoord : / Observe le dessin et trouve le verbe adéquat :

    nemen - spelen - sneeuwen - roepen - hebben - zien - beginnen - treffen - gooien - maken - vinden - bedekken - zetten

    Deze week is de winter …...................... . Het heeft veel  …...................... ! De wegen, paden, bomen en daken zijn nu  …...................... met sneeuw. Alles is wit. De kinderen  …..................... lekker in de sneeuw. Ze besluiten een sneeuwman te  …...................... . 'Deze sneeuwman  …...................... er triest uit !', zegt Henk. Met een worteltje maakt hij de neus van de sneeuwman. 'Nu ziet hij er beter uit !',  …...................... Henk uit. Maar Marjolein  …...................... dat de sneeuwman een hoofddeksel nodig heeft. Ze  …...................... een kookpan en  …....................... hem op zijn hoofd. Ze beginnen sneeuwballen te  …...................... naar de sneeuwpop : de eerste sneeuwbal …...................... hem op zijn neus en de tweede raakt de kookpan. En een paar minuten later …...................... de sneeuwman geen hoofd meer !

    Woordenschat : / Vocabulaire :

    besluiten (besloot, besloten) : décider / het worteltje : la carotte / het hoofddeksel : le couvre-chef / raken : toucher, atteindre

    ---------------

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,wintersport(vakantie),noël,kerstmis

    Exercice lexical 'Winter en sneeuw' en format PNG sur :

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,wintersport(vakantie),noël,kerstmis

     https://fr.pinterest.com/pin/319051954832014864/

     

    ---------------

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,wintersport(vakantie),noël,kerstmisexercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,wintersport(vakantie),noël,kerstmisExercice de vocabulaire 'Winter en sneeuw' à consulter dans la communauté G+ : NEDERLANDS LEREN

    https://plus.google.com/u/0/communities/115632356935694181487/stream/9d5c4d19-790a-4d2c-ad67-3f3b3e263290

    --------------

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,wintersport(vakantie),noël,kerstmis

    Volledige tekst : / Texte complet :

    Deze week is de winter begonnen. Het heeft veel gesneeuwd ! De wegen, paden, bomen en daken zijn nu bedekt met sneeuw. Alles is wit. De kinderen spelen lekker in de sneeuw. Ze besluiten een sneeuwman te maken. 'Deze sneeuwman ziet er triest uit !', zegt Henk. Met een worteltje maakt hij de neus van de sneeuwman. 'Nu ziet hij er beter uit !', roept Henk uit. Maar Marjolein vindt dat de sneeuwman een hoofddeksel nodig heeft. Ze neemt een kookpan en zet hem op zijn hoofd. Ze beginnen sneeuwballen te gooien naar de sneeuwpop : de eerste sneeuwbal treft hem op zijn neus en de tweede raakt de kookpan. En een paar minuten later heeft de sneeuwman geen hoofd meer !

    ---------------

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,wintersport(vakantie),noël,kerstmisDocument 'Winter en sneeuw" - format PDF

    Woordenschatoefening - winter.pdf

     

  • Exercice de vocabulaire : 'Winter, wintersport(vakantie)' / woordenschatoefening / néerlandais; Nederlands

    • Thème : vacances de neige, sports d'hiver / Thema : wintersport(vakantie)

    • Exercice lexical en néerlandais / Woordenschatoefening Nederlands

    • Suite du dossier 'Kerst- en nieuwjaarswensen' / Vervolg van het dossier 'Kerst- en nieuwjaarswensen'

    • Séquence pédagogique / Leerseqentie

    • Niveaux : 4N1, 5N2 / Niveaus : 4N1, 5N2

    ---------------

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,vacances de neige,wintersport(vakantie),noël,kerstmis

     Wintergezicht met schaatsers, 1864, Johan Barthold Jongkind 

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,vacances de neige,wintersport(vakantie),noël,kerstmis https://nl.wikipedia.org/wiki/Johan_Barthold_Jongkind

    ---------------

    Woordenschatoefening : wintersport(vakantie) / Exercice lexical : sports d'hiver, vacances de neige

    Bekijk de afbeelding en lees elke zin : vind de ontbrekende woorden.  / Observe l'illustration et lis chaque phrase : trouve les mots manquants.

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,vacances de neige,wintersport(vakantie),noël,kerstmis

    a) De  ….................. (1) is hoog.

    b) De  ….................. (2) vallen op de grond.

    c) Het/De  .................... (3) is met  .................... (4) bedekt.

    d) De  .................... (5) staat niet ver van het/de  .................... (3).

    e) De kinderen hebben een mooie  …................. (6) gemaakt.

    f) De  …................. (6) draagt een rode  ….................. (7) [= De  …................. (6) heeft een rode …................. (7) op].

    g) De  …................. (6) houdt een oude  …................. (8) in zijn linkerhand.

    h) De jongeman heeft een wollen  ….................. (9) op.

    i) Hij heeft ook een  ….................. (1o) op.

    j) Deze jongeman die aan skiën doet, is een  …................... (11).

    k) Hij houdt een  …................. (12) in elke hand.

    l) Hij draagt ook paarse  …................. (13) [= Hij heeft ook paarse  …................. (13) aan].

    m) Om over de sneeuw te kunnen glijden, heeft de jongeman zijn  ….................. (14) aangedaan/aangetrokken.

    n) Hij daalt de steile  …................. (15) af.

    o) Het jongetje draagt een wollen  …................. (9) met een  …................. (16).

    p) Hij glijdt op/met de  …................. (17) naar beneden.

    q) Hij heeft zijn groene  …................. (18) aangedaan/aangetrokken om zijn handen te beschermen tegen de kou.

     

    Woordenschat : / Vocabulaire :

    de grond : le sol / wollen : de laine, en laine / glijden (gleed, gegleden) : glisser / aandoen = aantrekken : mettre [un vêtement] / afdalen : descendre / steil : raide / beschermen tegen : protéger contre

    ---------------

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,vacances de neige,wintersport(vakantie),noël,kerstmisExercice lexical 'Wintersport(vakantie)' sur :

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,vacances de neige,wintersport(vakantie),noël,kerstmis

    https://fr.pinterest.com/pin/319051954831987210/

     

    ---------------

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,vacances de neige,wintersport(vakantie),noël,kerstmis

    Oplossingen / Solutions

    a) De berg (1) is hoog.

    b) De sneeuwvlokken (2) vallen op de grond.

    c) Het/De chalet (3) is met sneeuw (4) bedekt.

    d) De spar(renboom)/den(nenboom) (5) staat niet ver van het/de chalet (3).

    e) De kinderen hebben een mooie sneeuwman/sneeuwpop (6) gemaakt.

    f) De sneeuwman/sneeuwpop (6) draagt een zwarte hoed (7) [= De sneeuwman/sneeuwpop (6) heeft een zwarte hoed (7) op].

    g) De sneeuwman/sneeuwpop (6) houdt een oude bezem (8) in zijn linkerhand.

    h) De jongeman heeft een wollen muts (9) op.

    i) Hij heeft ook een skibril (10) op.

    j) Deze jongeman die aan skiën doet, is een skiër (11).

    k) Hij houdt een skistok (12) in elke hand.

    l) Hij draagt ook paarse skischoenen (13) [= Hij heeft ook paarse skischoenen (13) aan].

    m) Om over de sneeuw te kunnen glijden, heeft de jongeman zijn ski's/skilatten (14) aangedaan/aangetrokken.

    n) Hij daalt de steile helling (15) af.

    o) Het jongetje draagt een wollen muts (9) met een pompon (16).

    p) Hij glijdt op/met de slee (17) naar beneden.

    q) Hij heeft zijn groene wanten (18) aangedaan/aangetrokken om zijn handen te beschermen tegen de kou.

    ---------------

    exercices lexicaux,woordenschatoefeningen,séquence pédagogique,leersequentie,sports d'hiver,vacances de neige,wintersport(vakantie),noël,kerstmisDocument 'Wintersport(vakantie) / Sports d'hiver, vacances de neige' - PDF

    Woordenschatoefening - wintersport.pdf