dienen te

  • Exercice - auxiliaires de mode, modale (hulp)werkwoorden (02) : kunnen, mogen, moeten, willen + verbes, werkwoorden : hoeven (niet) te, dienen te, weten te - néerlandais - grammaire

    • Exercices grammaticaux en néerlandais / Nederlandse grammatica-oefeningen
    • Grammaire néerlandaise / Nederlandse grammatica, Nederlandse spraakkunst
    • Auxiliaires de mode / Modale (hulp)werkwoorden : kunnen, mogen, moeten, willen
    • Verbes particuliers / Bijzondere werkwoorden : hoeven (niet)  ...  te + inf., dienen  ...  te + inf., weten  ...  te + inf.
    • Niveaux : 5N1, 6N1, 6N2 / Niveaus : 5N1, 6N1, 6N2

    ---------------

    Observez les exemples suivants : / Bekijk de volgende voorbeelden :

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

     

     

    Hij kan heel goed communiceren en mensen motiveren.

    Hij weet heel goed te communiceren en mensen te motiveren.

    [pouvoir, savoir - la capacité ou la possibilité / het vermogen of de mogelijkheid]

     

     

     

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

     

    De auto moet gerepareerd worden / worden gerepareerd.

    De auto dient gerepareerd te worden / te worden gerepareerd.

    [devoir - l'obligation / de verplichting]

     

     

     

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

     

    Je hoeft niet te schrikken.

    Je hoeft geen schrik te hebben.

    [ne pas devoir, ne pas être nécessaire - la non-nécessité : dans une phrase négative / het niet nodig zijn : in een negatieve zin]

     

     

     

     

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

     

     

    Je mag niet op de boom klimmen.

    [pouvoir - la permission ou l'interdiction / de toestemming of het verbod]

     

     

     

     

     

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

     

     

    Hij wil informatie krijgen over de stad Delft.

    [vouloir - la volonté / de wil]

     

     

     

     

    Sclera picto's

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

     

     http://www.sclera.be/fr/picto/overview

     

    ---------------

    Utilisez le verbe correct en fonction du contexte / Gebruik het passende werkwoord in verband met de context : kunnen, mogen, moeten, willen, hoeven (niet) te, dienen te, weten te

     

    01. ...............   ik nog een boterham hebben?

    02. Als je zo speelt,   ................   je nooit winnen!

    03. Hij voelt zich veel beter en   ................   niet meer denken aan de dood van zijn hond.

    woordenschat : de dood : la mort

    04. Jij   ................   vandaag niet te komen. Het is niet nodig.

    05. ...............   je met wat vis beginnen? Of heb je liever soep?

    woordenschat : wat = een beetje

    06. Vandaag   ...............   ik terug naar de huisarts omdat ik nog steeds koorts heb.

    woordenschat : de huisarts : le médecin de famille

    07. Dit probleem   ................   nu opgelost te worden.

    08. Goedenmorgen, mevrouw!   ..................   we binnenkomen?

    09. Ik   .................   je niet te zeggen dat je altijd in mijn gedachten zit.

    woordenschat : de gedachte : la pensée

    10. Waarom heeft hij over zijn problemen niet   .................   praten? We hadden hem toch   ............... helpen!

    woordenschat : toch : quand même

    11. Je   ................   geen dure producten als kaviaar te gebruiken om een heerlijk gerecht te bereiden.

    woordenschat : heerlijk : délicieux / het gerecht : le plat / bereiden : préparer

    12. Onze plannen en onze gesprekken hierover   ................   absoluut geheim blijven.

    woordenschat : geheim : secret

    13. Ze   .................   niet goed te verklaren waarom ze op die manier gereageerd heeft.

    14. De waarheid komt altijd uit, of je   ................   of niet.

    woordenschat : de waarheid : la vérité / uitkomen : sortir

    15. De patiënt   .................   geïnformeerd te worden over de aard en de inhoud van het onderzoek.

    woordenschat : de aard : la nature / de inhoud : le contenu / het onderzoek : l'examen (médical)

    16. Registreer op onze website! Zo   ................   je niet telkens weer het volledige formulier in te vullen.

    woordenschat : telkens weer : à chaque fois / volledig = compleet

    17. In het leven   .................   je nooit zeker zijn van wat morgen brengt.

    18. Er   ..................   natuurlijk een lange weg te worden afgelegd.

    woordenschat : afleggen : parcourir

    19. Hij is een talentvol mens. Hij   .................   altijd te verrassen met zijn kookcreaties!

    woordenschat : verrassen : surprendre / de kookcreatie : la création culinaire

    20. Eddy   ................   graag jetskiën maar   ................   niet van zijn vader die vindt dat het te gevaarlijk is.

    21. Deze winkel is niet meer aantrekkelijk voor de klanten en   ................   dringend vernieuwd te worden.

    woordenschat : aantrekkelijk = atractief / dringend : de toute urgence / vernieuwen : rénover

    22. We   ................   geen excuses te zoeken als we onze beloftes niet nakomen.

    woordenschat : de belofte : la promesse / nakomen : tenir, respecter

    23. Ik vind hem een geweldige verteller. Hij   .................   altijd te boeien met mooie verhalen!

    woordenschat : de verteller : le conteur / boeien : captiver

    24. Op welke datum   ................. u dat het geld op uw rekening wordt overgemaakt?

    woordenschat : overmaken : virer

    25. Hij heeft al veel gesproken over zijn favoriete kandidaat. Hij   ...............   niet bekend te maken wie hij kiest.

     

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

    Solutions / Oplossingen

    01. mag                                 14. wil(t)
    02. kan/kun 15. dient
    03. wil 16. hoef
    04. hoeft 17. kan/kun
    05. wil 18. dient
    06. moet 19. weet
    07. dient 20. wil - mag
    08. mogen 21. dient
    09. hoef 22. hoeven
    10. willen - kunnen  23. weet
    11. hoeft 24. wilt
    12. moeten 25. hoeft
    13. weet