meerkeuzevragen - Page 5

  • Test je Nederlands! / Teste ton néerlandais! (1) - exercice de grammaire néerlandaise

    • Grammaire néerlandaise : exercice / Nederlandse grammatica, Nederlandse spraakkunst : oefening

    • Test de néerlandais / Test Nederlands

    ---------------

    test,exercice,apprendre le néerlandais,nederlands leren

    Omcirkel de letter die met de goede oplossing overeenkomt. / Entoure la lettre qui correspond à la bonne solution.

    01. .................  de directeur van het bedrijf?
          a. Kun je
          b. Kent je
          c. Ken je
          d. Kon

     vocabulaire : het bedrijf : l'entreprise

    02. Henk  ................  vaak met de kinderen van de buren.
          a. spelt
          b. speel
          c. spellt
          d. speelt

     

    03. De wind  ................  vandaag uit noordwestelijke richting.
          a. blast 
          b. blaazt
          c. blaast 
          d. blazt 

     vocabulaire: de richting : la direction

    04. ................  maar zitten, Jan!
          a. Blijft
          b. Blijf
          c. Blijven
          d. Bleef

     

    05. Ze  ................  dat ze moe was.
          a. antwoorde  
          b. antwordde 
          c. antwoordde 
          d. antwoordte 

     

    06. De busprijzen zijn weer  ............... . 
          a. verhoogd 
          b. verhoogt 
          c. geverhoogd 
          d. verhoogde 

     

    07. Hij  ...............  al de hele winter aan bronchtis.
          a. lied
          b. leed
          c. lijdde
          d. liet

     

    08. Hij heeft de hele dag aan het strand in de zon  ................ .
          a. gezet
          b. gezaten
          c. gezeeten
          d. gezeten

     

    09. De dief  ................  een pistool uit zijn zak. 
          a. namt 
          b. nam 
          c. neemde 
          d. naam 

     

    10. Zijn vader is met 92 jaar bij een treinongeluk  ................. .
          a. gestorven
          b. gestierven
          c. gesterfd
          d. gesterven

     

    11. De jonge vrouw heeft haar trouwring in de tuin  ................ .
          a. verlozen
          b. verliezen
          c. verloren
          d. verloosd

     vocabulaire : de trouwring : l'alliance, l'anneau

    12. Als je minder vlug  ................  , had je geen auto-ongeluk gehad.
          a. hebt gereden
          b. zal rijden
          c. had gereden
          d. zou rijden

     

    13. Als het mooi weer is,  ...............  we naar zee gaan. 
          a. zouden 
          b. waren 
          c. zullen 
          d. zijn 

     

    14. Waarom is Jan vanmiddag niet langsgekomen?
          a. Hij zal zeker zijn trein gemist hebben.
          b. Hij zou zeker zijn trein missen.
          c. Hij zou zeker zijn trein gemist hebben.
          d. Hij zal zeker zijn trein missen.

    vocabulaire : langskomen : passer (chez), rendre visite (à)

    15. Als ik jou was,  ...................  .
          a. zal ik rechten studeren.
          b. zou ik rechten studeren.
          c. heb ik rechten gestudeerd.
          d. zal ik rechten getudeerd hebben.

     vocabulaire : rechten [pluriel!] studeren : étudier le droit

    16. Als ik mijn vakantie in Vlaanderen doorgebracht had,  ............... .
          a. zou ik naar Gent gaan.
          b. zal ik naar Gent gegaan zijn.
          c. ging ik naar Gent.
          d. zou ik naar Gent gegaan zijn.

     

    17. Joop komt niet mee. Hij  ...............  niet van zijn vader.
          a. wil
          b. mag
          c. moet
          d. kan

     

    18. We  ...............  door Luxemburg en Zwitserland naar Oostenrijk gereisd.
          a. hebben
          b. zullen
          c. zouden
          d. zijn

     

    19. In het bos  ...............  vorige week nog een jongen verdwenen.
          a. is
          b. heeft
          c. kon
          d. moest

     

    20. Ik  ................  de titel van die detectiveroman vergeten.
          a. had
          b. heb
          c. was
          d. werd

     

    21. Ze was zo boos dat ze zich op haar kamer opgesloten  ............... .
          a. heeft
          b. was
          c. wou
          d. is

    vocabulaire : zich opsluiten : s'enfermer 

    22. Onze voetbalclub hoopt bij de volgende wedstrijd revanche  ............... .
          a. kunnen te nemen.
          b. nemen te kunnen.
          c. kunnen nemen.
          d. te kunnen nemen.

     

    23. Het meisje zat op de bank een broodje  ............... .
          a. op eten.
          b. op te eten.
          c. opeten.
          d. te opeten.

     

    24. De jongen beweerde dat hij het lijk op de grond  ................. .
          a. had liggen zien.
          b. had zien liggen.
          c. had liggen gezien.
          d. heeft zien liggen

     vocabulaire : beweren : prétendre / het lijk : le cadavre

    25. Meneer Vermeylen heeft nog een kwartier met zijn collega's  ............... .
          a. zitten te praten.
          b. praten zitten.
          c. zitten praten.
          d. te zitten praten.

     

    test,exercice,apprendre le néerlandais,nederlands leren

    Oplossingen / Solutions

    01 c 14 a 
    02 d 15 b
    03 c 16 d
    04 b 17 b 
    05 c 18 d 
    06 a 19 a 
    07 b 20 c 
    08 d 21 a 
    09 b  22 d 
    10 a 23 b 
    11 c 24 b 
    12 c 25 c 
    13 c  

    ---------------

    test,toets,exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,questionnaire à choix multiples,multiplechoicevragen,meerkeuzevragen

    'Test je Nederlands / Test ton néerlandais!' en format JPEG sur :

    test,toets,exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,questionnaire à choix multiples,multiplechoicevragen,meerkeuzevragen https://fr.pinterest.com/pin/319051954830282609/