meerkeuzevragen - Page 4

  • Test je Nederlands! / Teste ton néerlandais! (3) - exercice de grammaire néerlandaise

    • Test de néerlandais / Test Nederlands
    • Connaissances grammaticales / Grammaticakennis
    • Exercices grammaticaux / Grammaticale oefeningen
    • Questionnaire à choix multiples / Multiplechoicevragen, meerkeuzevragen

    --------------

    test,toets,exercices grammaticaux,questionnaire à choix multiples,multiplechoicevragen,meerkeuzevragen

    Monnickendamse klederdracht

    ---------------

    test,toets,exercices grammaticaux,choix multiples,multiplechoicevragen,meerkeuzevragen

     

     

     

     

     

     

     

    Omcirkel de letter die met de goede oplossing overeenkomt. / Entoure la lettre qui correspond à la bonne réponse.  

    51. Hans is even slecht gehumeurd  ...............  .
          a. als zij
          b. als haar
          c. dan ze
          d. dan haar

     

    52. Els is een paar jaar jonger  ...............  .
          a. als hem
          b. dan hem
          c. als haar
          d. dan hij

     

    53. Hij is  ...............  dan zijn broer.
          a. minst intelligent
          b. minder intelligenter
          c. minder intelligent
          d. min intelligent

     

    54. Onze dochter komt elke avond  ...............  .
          a. hoe langer hoe laat
          b. hoe langer hoe later
          c. hoe lang hoe later
          d. hoe lang hoe laat

     

    55. Hoe meer je van je werk houdt,  ...............  .
          a. hoe beter doe je het
          b. hoe beter je doet het
          c. hoe best doe je het
          d. hoe beter je het doet

     

    56. Laten we nu gaan slapen. Dat is  ...............  .
          a. de meest verstandigste
          b. het verstandigst
          c. de verstandigste
          d. het meest verstandigst

     

    57. Ik weet het,  ...............  niet?
          a. jij
          b. jouw
          c. je
          d. jou

     

    58. Heb je je zus al geschreven?
          Ja, ik heb  ...............  gisteren nog een lange brief geschreven.
          a. het
          b. haar
          c. hem
          d. zij

     

    59. De twee vrienden gaven  ...............  de hand.
          a. zich
          b. zij
          c. elkaar
          d. jij

     

    60. Mijn zoon is bij een oom en mijn dochter is bij één van  ...............  vriendinnen.
          a. ons
          b. hen
          c. haar
          d. jou

     

    61. De tulpen van de buurman zijn veel mooier dan  ...............  .
          a. de onzen
          b. onzen
          c. de ons
          d. de onze

     

    62. ............... heeft de radio aangezet?
          a. Wat
          b. Hoe
          c. Waar
          d. Wie

    Vocabulaire : aanzetten : allumer [un appareil]

    63. Kies de correcte zin :
          a. Waar aan dacht de directeur vaak?
          b. Wie dacht de directeur vaak aan?
          c. Aanwie dacht de directeur vaak?
          d. Waar dacht de directeur vaak aan?

     

    64. ...............  vaak heb je hem al geroepen?
          a. Wat
          b. Wie
          c. Waar
          d. Hoe

     

    65. ...............  dokter heeft je vader verzorgd, dr. Vermeulen of dr. Brulens?
          a. Welk
          b. Wat voor
          c. Welke
          d. Wat voor een

    Vocabulaire : verzorgen : soigner

    66. ............... werkt hij al?
          Hij werkt al drie jaar.
          a. Wanneer
          b. Hoelang
          c. Sinds wanneer
          d. Hoe lang

     

    67. Ik verkies dit programma, niet  ...............  andere.
          a. dat
          b. die
          c. dit
          d. deze

    Vocabulaire : verkiezen : préférer

    68. Welke rok heb je liever?  ...............  ?
          a. Dit of dat
          b. Deze of die
          c. Deze of dat
          d. Dat of dit

     

    69. ...............  gaan met vakantie naar Spanje.
          a. Veel
          b. Vele
          c. De velen
          d. Velen

     

    70. Ze kan u  ...............  vertellen wat u wilt weten.
          a. heel
          b. alles
          c. alle
          d. hele

     

    71. Alle leerlingen waren aanwezig. De leraar keek  ...............  .
          a. van de een naar de ander
          b. van de een naar de andere
          c. van een naar ander
          d. van de een naar de anderen

     

    72. Ik nam één van de trams  ...............  van het Centraal Station naar het Vondelpark rijden.
          a. wie
          b. dat
          c. die
          d. wat

     

    73. ...............  niet akkoord gaat, moet het laten weten.
          a. Die
          b. Wie
          c. Wat
          d. Deze

     

    74. Overal op de grond lag speelgoed  ...............  het kind graag speelde.
          a. met wie
          b. waarmee
          c. met wat
          d. waar mee

    Vocabulaire : het speelgoed : les jouets [het stuk speelgoed : le jouet]

    75. We moeten  ...............  drinken.
          a. op ergens
          b. ergens op
          c. waarop
          d. op nergens

     

    test,toets,exercices grammaticaux,questionnaire à choix multiples,multiplechoicevragen,meerkeuzevragen

    Solutions / Oplossingen

    51 a           64 d
    52 d           65 c
    53 c           66 b
    54 b           67 a
    55 d           68 b
    56 b           69 d
    57 a           70 b
    58 b           71 a
    59 c           72 c
    60 c           73 b
    61 d           74 b
    62 d           75 b
    63 d  
  • Test je Nederlands! / Teste ton néerlandais! (2) - exercice de grammaire néerlandaise

    test,toets,exercice,grammaire,apprendre le néerlandais,nederlands leren

    ----------------

    • Test de néerlandais / Test Nederlands

    • Grammaire néerlandaise : exercice / Nederlandse spraaakkunst, Nederlandse grammatica : oefening

    ----------------

    Omcirkel de letter die met de goede oplossing overeenkomt. / Entoure la lettre qui correspond à la bonne réponse.

    26. De expositie  ...............  zondag officieel geopend.
          a. werd
          b. heeft
          c. zal
          d. zou

     

    27. Een inwoner van Rotterdam  .................  gisteren in de deuropening van zijn woning doodgeschoten.
          a. wordt
          b. heeft
          c. zal
          d. is

    vocabulaire : doodschieten : abattre, tuer

    28. In die nieuwe fabriek  .................  200.000 auto's per jaar worden gebouwd.
          a. zullen     
          b. waren 
          c. hebben 
          d. zijn 

     

    29.  ...............  nu minder gerookt dan een paar jaar geleden.
          a. Het wordt
          b. Het is
          c. Er wordt
          d. Men wordt

     

    30. Toen we om 6 uur opstonden, zagen we dat de grond met sneeuw bedekt  ................. .
          a. is
          b. was
          c. had
          d. wordt

    vocabulaire : bedekken : recouvrir

    31. Onze burgemeester heeft de koning  ...............  een bezoek aan zijn stad te brengen. 
          a. geuitnodigd 
          b. uitgenodigt 
          c. uitgenodigen 
          d. uitgenodigd 

     

    32. We proberen met die maatregelen een ramp  ................ .
          a. te voorkomen
          b. voor te komen
          c. voorgekomen
          d. voorkomen

    vocabulaire : de ramp : la catastrophe / voorkomen : prévenir, empêcher

    33. Er  ...............  vandaag een interessant artikel in de krant.
          a. staat 
          b. hangt 
          c. zit 
          d. ligt 

     

    34. De was  .................  in de tuin te drogen.
          a. zit
          b. hangt
          c. loopt
          d. staat

     

    35. We hebben nog niet gegeten. We zijn  ................  aangekomen.
          a. daarna
          b. pas
          c. weldra
          d. nooit

     

    36.  ...............  dat maar geweten!
          a. Zal ik
          b. Heb ik
          c. Zou ik
          d. Had ik

     

    37. Ik  ...............  dat het sneeuwde.
          a. zou
          b. wou
          c. wil
          d. mocht

     

    38. Peter is  ...............  twee dagen niet op kantoor verschenen.
          a. morgen
          b. al
          c. soms
          d. gisteravond

    vocabulaire : verschijnen : apparaître, se présenter

    39. Kies de correcte zin:
          a. Het vergadering is nog niet afgelopen.
          b. Het overheid heeft nog geen beslissing genomen.
          c. Die politicus is een tegenstander van het racisme.
          d. Waar heb je de boekje over meteorologie weggelegd?

    vocabulaire : overheid : autorités / de tegenstander : l'opposant / wegleggen : poser, déposer

    40. Kies de correcte zin:
          a. De koning Willem-Alexander brengt een bezoek aan het België.
          b. Koning Willem-Alexander brengt een bezoek aan België.
          c. Koning Willem-Alexander brengt een bezoek aan het België.
          d. De koning Willem-Alexander brengt een bezoek aan België.

     

    41. De timmerman heeft vlug gewerkt: de  ...............  zijn al klaar.
          a. rammen
          b. ramen
          c. raamen
          d. raams

    vocabulaire : de timmerman : le menuisier

    42. Deze docent stelt te grote  ................  aan zijn studenten.
          a. eisen
          b. eissen
          c. eizen
          d. eis

    vocabulaire : de docent : le professeur

    43. Waar varen de  ...............  naartoe?
          a. oorlogsschippen
          b. oorlogschepen
          c. oorlogsschepen
          d. oorlogschippen

     

    44. Hij heeft na twee dagen zijn  ..............  teruggekregen.
          a. bagagen
          b. bagage
          c. baggagen
          d. baggage

     

    45. De kist bevat vijf  ..............  tomaten.
          a. kilo's
          b. kiloos
          c. kilos
          d. kilo

    vocabulaire : bevatten : contenir

    46. "Poes, poes!", riep grootmoeder, "Melk, lekkere melk voor een  ............... poesje!!"
          a. lieve
          b. lieffe
          c. lief
          d. liefe

     

    47. Wim zat op de  ...............  balustrade die het kleine terras omgaf.
          a. houte 
          b. houtse 
          c. houten 
          d. houtene 

    vocabulaire : omgeven : entourer

    48. Het meisje was slecht gekleed, maar haar gezicht had iets  ............... .
          a. aantrekkelijk
          b. aantrekkelijkes
          c. aantrekkelijks
          d. aantrekkelijke

    vocabulaire : het gezicht : le visage

    49. De kist was  ...............  dan ik had gedacht.
          a. zwaarder
          b. zwarder
          c. zwarer
          d. zwaarer

     

    50. Waarom moet je altijd  ...............  van allemaal spreken?
          a. het meest luid
          b. het luidst
          c. luidst
          d. de luidst

     

    test,toets,exercice,grammaire,apprendre le néerlandais,nederlands leren

    Oplossingen / Solutions

    26 a 39 c 
    27 d 40 b 
    28 a  41 b 
    29 c 42 a 
    30 b 43 c 
    31 d  44 b 
    32 a  45 d 
    33 a  46 c 
    34 b  47 c 
    35 b  48 c 
    36 d  49 a 
    37 b  50 b 
    38 b