Tests, quiz - Page 4

  • Test je Nederlands! / Teste ton néerlandais! (4) - exercice de grammaire néerlandaise

    • Test de néerlandais / Test Nederlands
    • Connaissances grammaticales / Grammaticakennis
    • Exercices grammaticaux / Grammaticale oefeningen
    • Questionnaire à choix multiples / Multiplechoicevragen, meerkeuzevragen

    test,toets,exercices grammaticaux,questionnaire à choix multiples,multiplechoicevragen,meerkeuzevragen

    OUD-AMSTERDAM 100 stadsgezichten, door L. W. R. Wenckebach

    test,toets,exercices grammaticaux,questionnaire à choix multiples,multiplechoicevragen,meerkeuzevragenhttp://www.boostdam.net/stories/Amsterdam-1900.html

     

    test,toets,exercices grammaticaux,questionnaire à choix multiples,multiplechoicevragen,meerkeuzevragen

    Omcirkel de letter die met de goede oplossing overeenkomt. / Entoure la lettre qui correspond à la bonne réponse.

    76. De directeur heeft vanmorgen een speech gehouden, maar ik heb er niet aandachtig  ...............  geluisterd.
         a. naar het
         b. naar
         c. naartoe
         d. naar hem

     

    77. Hij heeft een ruime garage;  ...............  .
         a. er staan er drie wagens in
         b. erin staan drie wagens
         c. er staan drie wagens erin
         d. er staan drie wagens in

    Vocabulaire : ruime : spacieux

    78. Ik  ...............  dat je in mijn kamer rookt.
         a. hou(d) niet
         b. hou(d) ervan niet
         c. hou(d) er niet van
         d. hou(d) het niet

     

    79. ...............  ?
         Op zijn vader!
         a. Wie lijkt Jan veel op
         b. Waarop lijkt Jan
         c. Waar lijkt Jan veel op
         d. Op wie lijkt Jan veel

     

    80. Hoe laat is het?
         Het is  ...............  .
         a. half voor drie
         b. half over drie
         c. half drie
         d. drie half

     

    81. Die ruïne dateert van de  ...............  eeuw na Christus.
         a. achtse
         b. achtste
         c. achtde
         d. achtte

     

    82. Zijn laatste artikel was absoluut oninteressant. Er kwam  ................  van lezers op.
         a. niet enkele reactie
         b. enkele reactie niet
         c. enkele geen reactie
         d. geen enkele reactie

     

    83. Hij houdt niet van het stadsleven.
         a. Daarom leeft hij op het platteland.
         b. Daarom, leeft hij op het platteland.
         c. Daarom, hij leeft op het platteland.
         d. Daarom, op het platteland leeft hij.

    Vocabulaire : het stadsleven : la vie citadine

    84. Ik heb  ................  .
         a. vanmorgen mijn zuster het cadeau gegeven
         b. vanmorgen het cadeau mijn zuster gegevan
         c. het cadeau vanmorgen mijn zuster gegeven
         d. het cadeau aan mijn zuster gegeven vanmorgen

     

    85. In de hal van het hotel wachtte de commissaris ongeduldig op het document. Ik moest  .................  .
          a. het daar hem om twee uur brengen
          b. het hem daar om twee uur brengen
          c. om twee uur het hem daar brengen
          d. hem het daar om twee uur brengen

    Vocabulaire : ongeduldig : impatiemment

    86. De ober heeft  ...............  .
         a. vlug weggenomen alle borden en glazen
         b. alle borden en glazen vlug weg genomen
         c. weggenomen vlug alle borden en glazen
         d. vlug alle borden en glazen weggenomen

    Vocabulaire : wegnemen : débarrasser

    87. Ik zou  ................  .
         a. er graag nog eens over met je willen praten
         b. er graag nog eens met je willen over praten
         c. er graag nog eens met je over willen praten
         d. graag nog eens met je willen praten erover

     

    88. Ik heb  ...............  .
         a. hem nog niet het pakje gestuurd
         b. nog niet hem het pakje gestuurd
         c. hem het pakje nog niet gestuurd
         d. hem nog het pakje niet gestuurd

     

    89. Het kind heeft zijn melk  .................  .
         a. op moeten drinken
         b. opdrinken moeten
         c. moeten op drinken
         d. op drinken moeten

     

    90. Wanneer  ...............  ?
         a. de directeur wil naar Rome vertrekken
         b. wil de directeur naar Rome vertrekken
         c. wil vertrekken de directeur naar Rome
         d. de directeur wil vertrekken naar Rome

     

    91. Kies de correcte zin :
         a. Waar keek ze naar van tijd tot tijd?
         b. Waar keek ze van tijd to tijd naar?
         c. Waar naar keek ze van tijd tot tijd?
         d. Waar ze keek van tijd tot tijd naar?

     

    92. Wat  ...............  !
         a. was ze mooi en elegant
         b. ze was mooi en elegant
         c. ze mooi en elegant was
         d. mooi en elegant ze was

     

    93. Vanmiddag is ze de stad in gegaan en  ..............  .
         a. twee cd's heeft gekocht
         b. heeft ze gekocht twee cd's
         c. ze twee cd's gekocht heeft
         d. heeft ze twee cd's gekocht

     

    94. Hij gaf ons de tijd om  ...............  .
         a. over de situatie te nadenken
         b. over de situatie natedenken
         c. te nadenken over de situatie
         d. over de situatie na te denken

    Vocabulaire : nadenken : réfléchir

    95. Ik denk dat ik de sleutels in mijn overjas  ...............  .
         a. heb laten zitten
         b. laten zitten heb
         c. zitten laten heb
         d. heb zitten laten

     

    96. Surfen is een sport  ...............  .
         a. waar mijn jongste broer in bijzonder goed is
         b. waar in mijn jongste broer bijzonder goed is
         c. waar mijn jongste broer bijzonder goed in is
         d. waar mijn jongste broer is bijzonder goed in

    Vocabulaire : bijzonder : particulièrement

    97. We zijn  ...............  .
         a. om half vijf teruggekomen vannacht van een vakantie in Turkije
         b. vannacht om half vijf teruggekomen van een vakantie in Turkije
         c. om half vijf van een vakantie in Turkije vannacht teruggekomen
         d. van een vakantie vannacht in Turkije om half vijf teruggekomen

     

    98. ...............  , dan was ik niet gekomen.
         a. Dat had ik geweten
         b. Had ik geweten dat
         c. Had ik dat geweten
         d. Ik had dat geweten

     

    99. Kies de correcte zin :
         a. Al heeft het lang geduurd, heeft hij het probleem opgelost.
         b. Al heeft het lang geduurd, hij heeft het probleem opgelost.
         c. Al het lang geduurd heeft, hij heeft het probleem opgelost.
         d. Al het heeft lang geduurd, heeft hij het probleem opgelost.

    Vocabulaire : oplossen : résoudre

    100. ...............  , behaal je een diploma.
         a. In plaats van goed te studeren
         b. Door goed te studeren
         c. Om goed te studeren
         d. Ofschoon je goed studeert

    Vocabulaire : behalen : obtenir

     

    test,toets,exercices grammaticaux,questionnaire à choix multiples,multiplechoicevragen,meerkeuzevragen

    Solutions / Oplossingen

    76 b                        89 a
    77 d              90 b
    78 c              91 b
    79 d              92 a
    80 c              93 d
    81 b              94 d
    82 d              95 a
    83 a              96 c
    84 a              97 b
    85 b              98 c
    86 d              99 b
    87 c            100 b
     88 c  

     

  • Test je Nederlands! / Teste ton néerlandais! (3) - exercice de grammaire néerlandaise

    • Test de néerlandais / Test Nederlands
    • Connaissances grammaticales / Grammaticakennis
    • Exercices grammaticaux / Grammaticale oefeningen
    • Questionnaire à choix multiples / Multiplechoicevragen, meerkeuzevragen

    --------------

    test,toets,exercices grammaticaux,questionnaire à choix multiples,multiplechoicevragen,meerkeuzevragen

    Monnickendamse klederdracht

    ---------------

    test,toets,exercices grammaticaux,choix multiples,multiplechoicevragen,meerkeuzevragen

     

     

     

     

     

     

     

    Omcirkel de letter die met de goede oplossing overeenkomt. / Entoure la lettre qui correspond à la bonne réponse.  

    51. Hans is even slecht gehumeurd  ...............  .
          a. als zij
          b. als haar
          c. dan ze
          d. dan haar

     

    52. Els is een paar jaar jonger  ...............  .
          a. als hem
          b. dan hem
          c. als haar
          d. dan hij

     

    53. Hij is  ...............  dan zijn broer.
          a. minst intelligent
          b. minder intelligenter
          c. minder intelligent
          d. min intelligent

     

    54. Onze dochter komt elke avond  ...............  .
          a. hoe langer hoe laat
          b. hoe langer hoe later
          c. hoe lang hoe later
          d. hoe lang hoe laat

     

    55. Hoe meer je van je werk houdt,  ...............  .
          a. hoe beter doe je het
          b. hoe beter je doet het
          c. hoe best doe je het
          d. hoe beter je het doet

     

    56. Laten we nu gaan slapen. Dat is  ...............  .
          a. de meest verstandigste
          b. het verstandigst
          c. de verstandigste
          d. het meest verstandigst

     

    57. Ik weet het,  ...............  niet?
          a. jij
          b. jouw
          c. je
          d. jou

     

    58. Heb je je zus al geschreven?
          Ja, ik heb  ...............  gisteren nog een lange brief geschreven.
          a. het
          b. haar
          c. hem
          d. zij

     

    59. De twee vrienden gaven  ...............  de hand.
          a. zich
          b. zij
          c. elkaar
          d. jij

     

    60. Mijn zoon is bij een oom en mijn dochter is bij één van  ...............  vriendinnen.
          a. ons
          b. hen
          c. haar
          d. jou

     

    61. De tulpen van de buurman zijn veel mooier dan  ...............  .
          a. de onzen
          b. onzen
          c. de ons
          d. de onze

     

    62. ............... heeft de radio aangezet?
          a. Wat
          b. Hoe
          c. Waar
          d. Wie

    Vocabulaire : aanzetten : allumer [un appareil]

    63. Kies de correcte zin :
          a. Waar aan dacht de directeur vaak?
          b. Wie dacht de directeur vaak aan?
          c. Aanwie dacht de directeur vaak?
          d. Waar dacht de directeur vaak aan?

     

    64. ...............  vaak heb je hem al geroepen?
          a. Wat
          b. Wie
          c. Waar
          d. Hoe

     

    65. ...............  dokter heeft je vader verzorgd, dr. Vermeulen of dr. Brulens?
          a. Welk
          b. Wat voor
          c. Welke
          d. Wat voor een

    Vocabulaire : verzorgen : soigner

    66. ............... werkt hij al?
          Hij werkt al drie jaar.
          a. Wanneer
          b. Hoelang
          c. Sinds wanneer
          d. Hoe lang

     

    67. Ik verkies dit programma, niet  ...............  andere.
          a. dat
          b. die
          c. dit
          d. deze

    Vocabulaire : verkiezen : préférer

    68. Welke rok heb je liever?  ...............  ?
          a. Dit of dat
          b. Deze of die
          c. Deze of dat
          d. Dat of dit

     

    69. ...............  gaan met vakantie naar Spanje.
          a. Veel
          b. Vele
          c. De velen
          d. Velen

     

    70. Ze kan u  ...............  vertellen wat u wilt weten.
          a. heel
          b. alles
          c. alle
          d. hele

     

    71. Alle leerlingen waren aanwezig. De leraar keek  ...............  .
          a. van de een naar de ander
          b. van de een naar de andere
          c. van een naar ander
          d. van de een naar de anderen

     

    72. Ik nam één van de trams  ...............  van het Centraal Station naar het Vondelpark rijden.
          a. wie
          b. dat
          c. die
          d. wat

     

    73. ...............  niet akkoord gaat, moet het laten weten.
          a. Die
          b. Wie
          c. Wat
          d. Deze

     

    74. Overal op de grond lag speelgoed  ...............  het kind graag speelde.
          a. met wie
          b. waarmee
          c. met wat
          d. waar mee

    Vocabulaire : het speelgoed : les jouets [het stuk speelgoed : le jouet]

    75. We moeten  ...............  drinken.
          a. op ergens
          b. ergens op
          c. waarop
          d. op nergens

     

    test,toets,exercices grammaticaux,questionnaire à choix multiples,multiplechoicevragen,meerkeuzevragen

    Solutions / Oplossingen

    51 a           64 d
    52 d           65 c
    53 c           66 b
    54 b           67 a
    55 d           68 b
    56 b           69 d
    57 a           70 b
    58 b           71 a
    59 c           72 c
    60 c           73 b
    61 d           74 b
    62 d           75 b
    63 d