• Exercice - le pronom personnel - het persoonlijk voornaamwoord - néerlandais - grammaire

    • Exercice grammatical / Grammaticale oefening
    • Grammaire néerlandaise / Nederlandse grammatica, Nederlandse spraakkunst
    • Le pronom personnel / Het persoonlijk voornaamwoord, het pronomen personale (het personaal pronomen)
    • Niveaux : 4N1, 4N2, 5N2 / Niveaus : 4N1, 4N2, 5N2

    ---------------

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,pronoms personnels,persoonlijke voornaamwoorden

    Ansichtkaart, molentekening van Joost Veerkamp

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,pronoms personnels,persoonlijke voornaamwoorden http://winkel.molens.nl/5579353/set-ansichtkaarten-met-molentekeningen-van-joost-veerkamp

    ---------------

    Vind het correcte persoonlijk voornaamwoord met behulp van de context. / Trouvez le pronom personnel correct à l'aide du contexte.

    01. Mijn zuster is hier. Ik ga nu met ................ naar de stad.

    02. Daar is Heintje. Moeder koopt nieuwe schoenen voor ............... .

    03. Dat boek is te duur. Ik koop ................ niet!

    04. Ik hou van dit schilderij. Ik vind ............... heel mooi.

    05. Ik ga op bezoek bij mijn broer en Bert komt met ................ mee.

    06. We gaan morgen naar zee en Maria gaat met ............... mee.

    07. Jan zit op zijn kamer. Piet werkt met ............... .

    08. Dag Betty, hoe gaat het met ............... ?

    09. Je krijgt een ijsje, ik betaal ............... .

    10. - Hoe vind je die gebakjes ? / - Ik vind .............. zeer lekker.

    woordenschat : het gebakje : le petit gâteau

    11. Daar komt mijn vriend! Ik rijd met ............... naar Brussel.

    12. Ik ga met vakantie naar Nederland en Hans komt met ................ mee.

    13. Jij rijdt naar Knokke, maar gaat Betty met ............... mee ?

    14. We eten om één uur en Loes komt bij ................ eten.

    15. Willy ziet een mooi huis en tekent ................ .

    16. Annie, je moeder is hier. Vergeet niet ................ het cadeau te geven !

    17. Waar is mijn sleutel? Ik vind ............... niet.

    18. Is dat je zus? Ik ken ................ niet.

    19. - Gaan jullie kinderen mee? / - Nee, onze kinderen komen met ................ niet mee.

    20. Koop je gebakjes, mammie? Ik eet ................ zo graag!

    21. Ze blijven tot elf uur. Wacht u op ............... ?

    22. De kinderen gaan naar de kasten en doen  ...............  open.

    23. Neem je mantel en hang ............... in de kast.

    24. Peter gaat naar het strand en zijn broer volgt ............... .

    woordenschat : het strand : la plage

    25. Neem je boek en breng ................ hier !

    26. Ik heb mijn fiets in de garage laten staan. Ik ga ................ vlug halen.

    27. Betty woont in een nieuwe flat en Marijke woont bij ............... .

    28. Ik ben ziek en moeder haalt de dokter voor ............... .

    29. Ze heeft geen thee meer ! Haal je een pakje voor ............... ?

    30. Een pakje? Wie krijgt ............... ?

    31. Hans en Annie zijn in hun nieuwe woonkamer en ze vinden .............. heel mooi.

    32. Waar is Liesje? Ik zie ............... niet.

    33. Je trein komt om één uur het station binnen. Ik kom ............... dus om één uur afhalen.

    34. De messen liggen op de tafel. Breng ................ nu naar de keuken.

    woordenschat : het mes : le couteau

    35. Die mensen wonen hier. Ga ............... de weg vragen!

    36. Er zijn veel mensen op de markt. Helma kijkt naar ............... .

    37. De boer heeft vandaag eieren en aardappelen. Hij verkoopt ............... op de markt.

    38. Waar staan mijn twee vriendinnen? Ik zie ............... niet.

    39. Hij ziet zijn vrienden niet meer en denkt niet meer aan ............... .

    40. Mijn wagen is nog goed. Ik verkoop ............... niet.

    41. Hans en Annie wandelen met elkaar. Hij neemt ................. bij hand.

    woordenschat : iemand bij de hand nemen : prendre quelqu'un par la main.

    42. 'Al die snoepjes zijn voor ............... !' roepen de kinderen, maar moeder zegt ............... : 'Nee, die snoepjes zijn niet voor ............... alleen !'

    woordenschat : het snoepje : la friandise

    43. Neem de lepels en de vorken en leg ............... maar op tafel !

    woordenschat : de lepel : la cuillère / de vork : la fourchette

    44. - Wat geeft u ons ? / - ............. geef ............ een horloge.

    45. Dat is een mooi beeld! We kopen ............... meteen.

    woordenschat : meteen : immédiatement, tout de suite

    46. We hebben nog een flat. Morgen verkopen we ............. , dan hebben we weer geld.

    woordenschat : weer (= opnieuw) : à nouveau, de nouveau

    47. Hier is je ei. Pas op! Breek ............... niet!

    48. Meneer Jansens is met zijn auto in de stad, maar nu moet hij ............... parkeren.

    49. De jongens spelen in de tuin. Wil je met ............... meespelen?

    50. De meisjes spelen in de tuin. Zie je ............... ?

     

    ---------------

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,pronoms personnels,persoonlijke voornaamwoordenDocument 'Exercice : le pronom personnel - het persoonlijk voornaamwoord" en format JPEG sur:

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,pronoms personnels,persoonlijke voornaamwoordenhttps://fr.pinterest.com/pin/319051954829720499/

     

    --------------- 

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,pronoms personnels,persoonlijke voornaamwoorden

    Oplossingen / Solutions

    01. met haar 26. hem (ze)/die [de fiets (m./v.) : Het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke de-woorden is in het Nederlands aan het verdwijnen. De meeste (Noord-)Nederlanders beschouwen ze als mannelijke woorden; Vlamingen en Zuid-Nederlanders, die het 'oude' woordgeslacht nog wel herkennen, kiezen vaak voor vrouwelijk. De huidige woordenboeken verwijzen naar het Groene Boekje of de Lijst Nederlandse Taal : de meeste de-woorden mogen als mannelijk beschouwd worden (een klein aantal de-woorden zijn vrouwelijk). Gebruik dus liever hem of die
    02. voor hem 27. bij haar
    03. het 28. voor me/mij 
    04. het 29. voor haar
    05. met me/mij 30. het
    06. met ons 31. hem (ze)/die [de woonkamer (m./v.) : Het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke de-woorden is in het Nederlands aan het verdwijnen. De meeste (Noord-)Nederlanders beschouwen ze als mannelijke woorden; Vlamingen en Zuid-Nederlanders, die het 'oude' woordgeslacht nog wel herkennen, kiezen vaak voor vrouwelijk. De huidige woordenboeken verwijzen naar het Groene Boekje of de Lijst Nederlandse Taal : de meeste de-woorden mogen als mannelijk beschouwd worden (een klein aantal de-woorden zijn vrouwelijk). Gebruik dus liever hem of die
    07. met hem 32. haar
    08. met je/jou 33. je
    09. het 34. ze/die
    10. ze/die 35. Ga hun ... [strikte regel, klassieke regel]; ook mogelijk : Ga hen/ze  ... [soepelere regel : hun, hen en ze worden in moderne gesproken taal - en steeds meer in moderne geschreven taal - door elkaar gebruikt.]¹
    11. met hem 36. naar hen [strikte regel, klassieke regel]; ook mogelijk : naar hun, (naar ze) [soepelere regel : hun, hen en ze worden in moderne gesproken taal - en steeds meer in moderne geschreven taal - door elkaar gebruikt.]¹
    12. met me/mij 37. ze/die
    13. met je/jou 38. Ik zie hen ... [strikte regel, klassieke regel]; ook mogelijk : Ik zie hun/ze [soepelere regel : hun, hen en ze worden in moderne gesproken taal - en steeds meer in moderne geschreven taal - door elkaar gebruikt.]¹
    14. bij ons 39. aan hen [strikte regel, klassieke regel]; ook mogelijk : aan hun, (aan ze) [soepelere regel : hun, hen en ze worden in moderne gesproken taal - en steeds meer in moderne geschreven taal - door elkaar gebruikt.]¹
    15. het 40. hem/die
    16. haar 41. haar
    17. hem/die 42. voor ons / ... zegt hun [strikte regel, klassieke regel]; ook mogelijk : ... zegt hen/ze [soepelere regel : hun, hen en ze worden in moderne gesproken taal - en steeds meer in moderne geschreven taal - door elkaar gebruikt.]¹
    18. haar 43. ze/die
    19. met ons 44. Ik geef jullie ...
    20. ze/die 45. het
    21. op hen [strikte regel, klassieke regel]; ook mogelijk : op hun, (op ze) [soepelere regel : hun, hen en ze worden in moderne gesproken taal - en steeds meer in moderne geschreven taal - door elkaar gebruikt.]¹ 46. hem/die
    22. ze/die                            47. het
    23. hem/die 48. hem/die
    24. hem 49. met hen [strikte regel, klassieke regel]; ook mogelijk : met hun, (met ze[soepelere regel : hun, hen en ze worden in moderne gesproken taal - en steeds meer in moderne geschreven taal - door elkaar gebruikt.]¹
    25. het 50. Zie je hen? [strikte regel, klassieke regel]; ook mogelijk : Zie je hun/ze? [soepelere regel : hun, hen en ze worden in moderne gesproken taal - en steeds meer in moderne geschreven taal - door elkaar gebruikt.]¹

    ¹ A. M. Fontein, A. Pescher - ter Meer, Nederlandse Grammatica voor Anderstaligen, Nederlands Centrum Buitenlanders, Utrecht / W. Mattens, P. Vandenberghe, Praktische Spraakkunst van het Algemeen Bruikbaar Nederlands, De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen - Utrecht

    ² Genootschap Onze Taal : https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/mannelijk-vrouwelijk-woord

    ---------------

    exercices grammaticaux,grammatica-oefeningen,pronoms personnels,persoonlijke voornaamwoordenExercice 'Le pronom personnel / Het persoonlijk voornaamwoord' - PDF

    Oefening - le pronom personnel - het persoonlijk voornaamwoord.pdf

     

     

  • Exercice de vocabulaire contextualisé [texte : Wat een leven!] - néerlandais

    • Exercice lexical contextualisé / Woordenschatoefening in context
    • Vocabulaire de base néerlandais / Basiswoordenschat Nederlands
    • Thème : la vie quotidienne / Thema : het dagelijkse leven
    • Niveaux : 4N1, 4N2 / Niveaus : 4N1, 4N2

    ---------------

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    Oude ansichkaart, Hoogesluis, Amsterdam, Louis Honoré

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen http://veiling.catawiki.nl/kavels/2003331-amsterdam-ca-85-x

    ---------------

    Vul in :

    1) Vind de woorden die door de tekeningen geïllustreerd worden. / Trouvez les mots qui sont illustrés par les dessins.

    2) Vind ook het ontbrekende adjectief of bijwoord (tussen rechte haakjes). Het is altijd hetzelfde woord! Let eens goed op de verbuiging (flexie) van dat adjectief! / Trouvez l'adjectif ou l'adverbe manquant (entre crochets). Il s'agit toujours du même mot! Faites attention à l'accord de cet adjectif!

     

    lopen  -  brood  -  werkster  -  lachen  -  wind  -  werken  -  noorden  -  kwaad  -  horen  - woord  -  sterven  -  zondag  -  vlees  -  lief  -  spreken  -  huis  -  ei  -  steen  -  alleen  -  regenen -  roepen

     

    Meneer Stakker moet [............]

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    .....................  voor zijn brood.                   
    Hij leeft nu

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    .......... : zijn vrouw is 10 jaar geleden

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    .......... .
    Hij heeft een

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ......................  die elke dag komt.                                                          
    Ze heet Marijke. Dat is een zeer strenge vrouw.
    Ze is zo [............] als

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ..................... .                                                                           
    Ze kan niet heel goed koken en meneer Stakker ook niet.
    Heel vaak eet hij maar [............]

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ..................... ,                                                         
    [.............]

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ................ en  [............] gekookte

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    .................. .          
    Marijke

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    .....................  niet goed ;                                                                            
    daarom spreekt ze [.............] ,

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ....................  ze [............]                                                         
    en

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ......................  ze ook altijd te [.............] .                                                          
    Heel vaak moet meneer Stakker zeggen : '

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ..............  niet zo [.........], Marijke!
    Ik kan je wel verstaan.'
    Dan wordt ze

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ..............  en geeft hem [............]

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ............... .          
    Op

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ....................  gaat meneer Stakker naar buiten :                                  
    dan

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    .....................  het altijd [............] of                                       

    er staat een [............]

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ....................  uit het

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ..................... .         
    De arme man moet dan [........] naar

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ..................

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ................ .         

    Dat is veel te [............] voor een man van vijftig !

    Meneer Stakker heeft een

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    ....................   vrouw  [............] nodig.                            

    Woordenschat :

    vaak = dikwijls / iets nodig hebben : avoir besoin de qlc.

    ---------------

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

     

     

    Document 'Wat en leven!' en format JPEG sur

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    Tableau : Nederlandse taaloefeningen / Exercices de néerlandais : https://fr.pinterest.com/pin/319051954829850834/

     

    ---------------

     

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

     

     

    Texte complet / Volledige tekst

     

     

     

     

    Meneer Stakker¹ moet hard werken voor zijn brood. Hij leeft nu alleen : zijn vrouw is 10 jaar geleden gestorven. Hij heeft een werkster die elke dag komt. Ze heet Marijke. Dat is een zeer strenge vrouw. Ze is zo hard als steen. Ze kan niet heel goed koken en meneer Stakker ook niet. Heel vaak eet hij maar hard vlees, hard brood en hard gekookte eieren. Marijke hoort niet goed; daarom spreekt ze hard, roept ze hard en lacht ze ook altijd te hard. Heel vaak moet meneer Stakker zeggen : 'Spreek niet zo hard, Marijke! Ik kan je wel verstaan.' Dan wordt ze kwaad en geeft hem harde woorden. Op zondag gaat meneer Stakker naar buiten : dan regent het altijd hard of er staat een harde wind uit het noorden. De arme man moet dan hard naar huis lopen. Dat is veel te hard voor een man van vijftig! Meneer Stakker heeft een lieve vrouw hard nodig.

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

     

     

     

    Die arme stakker! Hij verdient toch zoiets helemaal niet!

     

     

     

    ¹ de stakker : iemand die zielig is, met wie je medelijden hebt. [quelqu'un qui est malheureux, pour qui on a de la compassion.]; synoniemen : de sukkelaar, de sukkel, de drommel, de stumper, de schlemiel [uitspraak : ʃləˈmil]; uitdrukkingen : arme stakker, arme drommel, arme man, arme stumper, arme kerel, arme ziel, ... [pauvre homme, pauvre type, pauvre diable, pauvre bougre]

    ----------------

    vocabulaire,woordenschat,exercices lexicaux,woordenschatoefeningen

    Document 'Wat en leven!' en format PDF

    Wat een leven!.pdf