Exercice : accord de l'adjectif qualificatif épithète (1) en néerlandais - grammaire néerlandaise

  • Exercices grammaticaux (en néerlandais)/ Grammaticale oefeningen (in het Nederlands)
  • Grammaire néerlandaise / Nederlandse grammatica, Nederlandse spraakkunst
  • Accord de l'adjectif qualificatif épithète / Verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord, flexie van het adjectief, attributief gebruik
  • Niveaux : 4N1, 5N2 / Niveaus : 4N1, 5N2

---------------

grammaire,exercices grammaticaux,adjectif qualificatif,bijvoeglijk naamwoord,adjectief

Henri Cassiers, Stadsgezicht Gouda

grammaire,exercices grammaticaux,adjectif qualificatif,bijvoeglijk naamwoord,adjectiefhttp://users.telenet.be/henricassiers/Boeken.htm 

---------------

Accord de l'adjectif : -e ou pas de -e ? Faites bien attention aux règles d'orthographe! / Verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord : wel -e of geen -e ? Let eens goed op de spelregels!

 

01. Mijn vriend organiseert een (tof)   ...............   feest.

02. De hapjes zijn (heerlijk)   ...............   .

Woordenschat : het hapje : l'encas

03. Ik heb een (groot)   ...............   cadeau voor jou!

04. Hij is mijn (best)   ...............   vriend.

05. De (blauw)   ...............   trui van Anne is (mooi)   ...............   .

06. Katrien is een (slank)   ................   meisje.

07. Henk en ik lezen (oud)   ...............   boeken.

08. Wat een (hoog)   ...............   gebouw!

09. (Gelukkig)   ...............   verjaardag Paul!

10. Er is een (groot)   ................   tuin achter het huis.

11. Ik heb veel (vreemd)   ................   cadeautjes gekregen : een ansichtkaart, (oud)   ...............   postzegels en een (rood)   ...............   broek.

Woordenschat : vreemd : étrange, bizarre

12. Luister. Het is mijn (favoriet)   ................   liedje!

13. Moeder heeft (groen)   ...............   ogen en (blond)   ...............   haar.

14. Grootvader is (kaal)   ...............   maar heeft een (dun)   ............... snor.

Woordenschat : kaal : chauve

15. De politieagent heeft een (blauw)   ...............   uniform aan.

16. Ze wonen in het (geel)   ................   huis.

17. Ze kijkt (boos)   ...............   want ze heeft (slecht)   ................ resultaten.

18. Poesje is een (lief)   ................   kat.

19. Ik heb een (klein)   ................   (grijs)   .................   hond.

20. Dit is een (hoog)   ...............   muur.

21. Ik hou van die (ovaal)   ...............   spiegel.

22. Hou(d) je van (Belgisch)   ................   bier en (Frans)   ................   wijn ?

23. Mijn (Vlaams)   ...............   vriendin woont in Kortrijk.

24. Mijn broer wil een (nieuw)   ...............   pak kopen.

25. We hebben (prachtig)   ................   weer gehad.

26. Hij heeft met zijn (splinternieuw)   ................   camera vogels gefotografeerd.

Woordenschat : splinternieuw : flambant neuf

27. Ik heb met (ander)   ................   toeristen gepraat.

28. Het (Nederlands)   ...............   personeel in Noordwijk spreekt goed Duits.

29. Frans legt de (zwaar)   ................   koffers in de bagageruimte.

30. (Vorig)   ................   jaar ben ik nog een keer naar Amerika gevlogen.

31. Oom Jan is een (dik)   ...............   heer met een (zwart)   ...............   bril en een (lang)   ...............   baard.

32. De kinderen hebben een (modern)   ................   fabriek bezocht.

33. We wonen in een (rustig)   .................   buurt.

34. Ze hebben een (diep)   ..................   vijver in hun tuin.

Woordenschat : de vijver : l'étang

35. Doe die (wit)   ...............   deur open, Jan!

36. Brugge is een (prettig)   ................   (romantisch)   .................   stad in Vlaanderen.

37. Mijn fles water is (leeg)   .................   maar ik heb er nog een in mijn tas.

Woordenschat : leeg : vide

38. Hebt u hier (warm)   ................   water, meneer?

39. Hans heeft (gespierd)   ...............   armen.

Woordenschat : gespierd : musclé

40. Waar heb je dit (tweetalig)   ...............   woordenboek gevonden?

grammaire,exercices grammaticaux,adjectif qualificatif,bijvoeglijk naamwoord,adjectief

Solutions / Oplossingen

 

01. een tof feest
02. heerlijk
03. een groot cadeau
04. mijn beste vriend
05. de blauwe trui / mooi
06. een slank meisje
07. oude boeken
08. een hoog gebouw
09. gelukkige verjaardag
10. een grote tuin
11. veel vreemde cadeautjes / oude postzegels / een rode broek
12. mijn favoriete liedje
13. groene ogen / blond haar
14. kaal / een dunne snor
15. een blauw uniform
16. het gele huis
17. boos / slechte resultaten
18. een lieve kat
19. een kleine grijze hond
20. een hoge muur
21. die ovale spiegel
22. Belgisch bier / Franse wijn
23. Mijn Vlaamse vriendin
24. een nieuw pak
25. prachtig weer
26. zijn splinternieuwe camera
27. andere toeristen
28. het Nederlandse personeel
29. de zware koffers
30. vorig jaar
31. een dikke heer / een zwarte bril / een lange baard
32. een moderne fabriek
33. een rustige buurt
34. een diepe vijver
35. die witte deur
36. een prettige romantische stad
37. leeg
38. warm water
39. gespierde armen
40. dit tweetalige woordenboek

 

 

Commentaires

Écrire un commentaire

Optionnel