Exercice - auxiliaires de mode, modale (hulp)werkwoorden (01) : kunnen, mogen, moeten, willen - néerlandais - grammaire

  • Exercices grammaticaux en néerlandais / Nederlandse grammatica-oefeningen
  • Grammaire néerlandaise / Nederlandse grammatica, Nederlandse spraakkunst
  • Auxiliaires de mode / Modale (hulp)werkwoorden : kunnen, mogen, moeten, willen
  • Niveaux : 4N1, 4N2 / Niveaus : 4N1, 4N2

-----------------

Observez les exemples suivants / Bekijk de volgende voorbeelden :

grammaire,exercices grammaticaux,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

 

 

Hier kan ik mijn betaalkaart insteken, mijn code intoetsen en geld uit de automaat nemen.

 

 

 

 

grammaire,exercices grammaticaux,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

 

 

 

Ik mag het water niet uit de kraan drinken.

 

 

 

 

grammaire,exercices grammaticaux,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

 

 

 

Ik moet vandaag de boekenkast opruimen.

 

 

 

 

grammaire,exercices grammaticaux,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

 

 

De leerling wil een vraag stellen.

 

 

 

 

Sclera picto's 

grammaire,exercices grammaticaux,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

 

http://www.sclera.be/nl/picto/cat_overview

 

------------------

Utilisez l'auxiliaire correct en fonction du contexte / Gebruik het correcte hulpwerkwoord in verband met de context : kunnen, mogen, moeten, willen

01. Ik  ................  niet met die auto rijden. Hij is niet van mij!

02. Het is heel laat. Ik  ................  nu naar huis teruggaan.

03. Peter  ................  daar niet parkeren. Er is geen plaats genoeg.

04. Vader  .................  het huis verkopen. Hij heeft dringend geld nodig.

woordenschat : dringend : de toute urgence

05. Het is hier niet warm!  .................  ik het raam dichtdoen?

06. Ik  .................  je niet helpen. Ik heb geen tijd.

07. Ik  .................  het raam niet dichtdoen. Ik ben te klein.

08. Ik ga morgen naar zee.  ...............  je mee?

09. Pardon meneer,  ...............  Liesje met me komen spelen?

10. Bert  ................  morgen naar zee. Hij heeft vrijaf!

woordenschat : vrijaf hebben : avoir congé

11. We  ..................  de kast niet opendoen. Vader wil het niet!

12. Marijke  ................  niet meer naar huis. Er is geen bus meer.

13. Betty  ................  dat huis niet kopen. Ze heeft geen geld genoeg.

14. Het licht is nu groen : ik  ...............  oversteken.

15. Ik  ................ niet schrijven omdat ik geen papier heb.

16. Ik ben klaar met mijn werk.  ..................  ik naar buiten gaan?

17. Je  .................... de radio niet aanzetten. Vader slaapt.

18. Het is twaalf uur.  .................  ik de tafel dekken?

woordenschat : de tafel dekken : dresser la table

19. Loes  ................  de deur niet opendoen. Ze heeft de sleutel niet!

20. Nu  ...............  ik niet komen. Ik  ...............  nog een mailtje schrijven.

21. Ik heb geen pen. Ik  .................  de tekst niet overschrijven.

woordenschat : overschrijven : recopier

22. De eigenaar  .................  zijn huis verkopen. Hij heeft geld nodig.

woordenschat : de eigenaar : le propriétaire

23. Ik  .................  koffie hebben. Annie,  .................  je dat voor mij halen?

24. Je  .................  de wagen niet parkeren. De hele straat staat vol met auto's!

25. Hij spreekt Nederlands maar hij  ................  geen Frans spreken.

26. Ik heb een heel slecht cijfer voor wiskunde. Ik  ................  niet naar de televisie kijken.

27. Annie is niet klaar. Peter  ................  op haar wachten.

28. Spreek luider! Ik  ................  je niet verstaan.

woordenschat : luider : plus fort / verstaan : comprendre [dans le sens de bien entendre]

29. Mieke is bang. Ze  ................  niet alleen blijven.

30. Ik begrijp de tekst niet.  ................  u me helpen?

31. Betty heeft het koud. Ze  ................  het raam dichtdoen.

32. Hans is vijftien jaar oud. Hij  .............. niet met de auto rijden.

33. Ik werk heel veel want ik  ...............  de eerste zijn.

34. De wagen  ...............  niet rijden omdat er geen benzine meer in de tank zit.

woordenschat : de tank (uitspraak [tɛŋk]) : le réservoir

35. Nou, jongens! Jullie  ................  om half tien naar bed!

 

grammaire,exercices grammaticaux,auxiliaires de mode,modale (hulp)werkwoorden

Solutions / Oplossingen

01. mag 13. kan   25. kan 
02. moet 14. mag 26. mag 
03. kan 15. kan  27. moet 
04. wil ou moet      16. Mag  28. kan 
05. Mag 17. mag  29. wil 
06. kan 18. Mag  30. Kunt = kan  
07. kan  19. kan  31. wil 
08. Wil 20. kan  -  moet     32. mag 
09. mag  21. kan  33. wil 
10. kan  22. wil ou moet  34. kan
11. mogen  23. moet  -  Wil ou Kan = Kun    35. moeten 
12. kan  24. kan  

 

 

Commentaires

  • Bonjour Docnederlands, je suis contente de voir que vous avez mis en ligne une série d'exercices (sur les auxiliaires de mode) que je vous avais proposés. Vous en avez fait une chouette présentation. J'espère retrouver bientôt sur votre site les autres exercices envoyés ... Bien à vous.

  • Un grand merci pour tous les exercices que vous m'avez envoyés. Je continuerai à mettre régulièrement en ligne certains de vos exercices.
    Bonne continuation! Mes salutations amicales,
    Docnederlands

  • Merci pour votre exercice de grammaire ;)

  • Je suis ravi que vous ayez apprécié cet exercice. Bonne continuation, docnederlands

Les commentaires sont fermés.